|
Getij |
Havens Westerschelde t.o.v. Getij Paal
|
herleidingstabel |
hoogwater |
laagwater |
|
Antwerpen |
+ 30 min |
+ 45 min |
|
Walsoorden |
- 19 min |
- 34 min |
|
Hansweert |
- 25 min |
- 42 min |
|
Hoedekenskerke |
- 37 min |
- 51 min |
|
Terneuzen |
- 1 u 02 min |
- 1 u 06 min |
|
Vlissingen |
- 1 u 23 min |
- 1 u 34 min |
De tijtafels zijn vanaf 2007 gerekend tegenover L.A.T. !
De LAT ligt lager
Onlangs heeft Rijkswaterstaat op verzoek van de Dienst der
Hydrografie van de Koninklijke Marine het ‘Lowest Astronomical Tide’ (LAT) voor
de hele Noordzee berekend. Daarmee draagt Nederland bij aan uniformering van de
wijze waarop diverse landen de waterdieptes op zeekaarten aangeven.
Op Nederlandse zeekaarten staat nooit de diepte ten opzichte van het gemiddeld
zeeniveau, maar altijd ten opzichte van een lager vlak, zodat men meestal meer
water onder het schip heeft dan volgens de kaart. Volgens een internationale
afspraak uit 1926. moet dit vlak zo laag liggen, dat de waterstand ‘slechts
zelden' lager is. De precieze invulling van deze afspraak verschilt per land .
Het is nu de bedoeling, dat alle landen rond de Noordzee overschakelen op LAT
(door de International Hydrographic Organization als wereldwijde standaard
gepropageerd).
Dit LAT is het laagste laagwater dat volgens de getijtafels - dus zonder invloed
van weersomstandigheden - kan optreden (en dat in 19 jaar, vanwege een cyclus
van 18,6 jaar in de sterkte van de getijden).
Anders rekenen
Een verandering van het ‘nulvlak' van de kaart is van belang wanneer zeevarenden
de waterdiepte willen berekenen. Getijvoorspellingen van Rijkswaterstaat worden
altijd weergegeven ten opzichte van de referentie (het nulvlak van de kaart) en
dus binnenkort: ten opzichte van een andere referentie. Ook de
getij-voorspellingen die RWS jaarlijks levert voor Europese of mondiale
getijtafels krijgen dus een andere ‘basis'. Voor sommige landgebonden
toepassingen, zoals de bediening van sluizen en gemalen, is het gebruik van NAP
handiger. In de Getijtafels voor Nederland, het bekende ‘gele boekje', staan de
standen dan ook vermeld ten opzichte van NAP.
Hoever het ‘nulvlak' onder het gemiddeld zeeniveau ligt, staat in de
‘reductiekaart' van de Dienst der Hydrografie.
De reductiekaart (uit 1988) zal worden vervangen door een nieuwe op basis van
door RWS berekende LAT-waarden. De nieuwe reductiekaart zal vervolgens worden
gebruikt voor de nieuwe officiële zeekaarten. Het is de bedoeling om medio 2006
de eerste kaart op nieuwe leest, een kaart van het Eems-Dollardgebied, uit te
geven. Werkend van noord naar zuid volgen in de loop van enkele jaren de andere
zeekaarten.
Het LAT ligt in de Nederlandse getijdewateren over het algemeen 10 tot 20 cm
lager dan de het tot nu toe gebruikte referentievlak. Ten overvloede een
geruststelling: voor de werkelijke waterdiepte maakt de overschakeling naar LAT
natuurlijk niet uit; de diepte volgens de kaart neemt iets af, maar de hoogte
van de waterstanden ten opzichte van het LAT neemt evenveel toe.
(informatie: Rijkswaterstaat Nederland)

No man can fight against both wind and tide !
Geen goed zeemanschap zonder getijkennis. Het getij is zowel een verticale
(waterstand) als een horizontale (getijstromen) beweging. (de verandering van de
waterstand ontlokte een zeer jonge bezoeker aan onze haven, bij vallend water,
de kreet; “moeke, moeke, kijk, de modder stijgt hier”.)
Het getij wordt veroorzaakt door de aantrekkingskrachten van de planeten en
sterren en de richting en sterkte van de wind (voor de muggenzifters, ook de
bewegingen van de aardkorst en de hoeveelheid regen spelen mee).
Zowat 23 krachten trekken elke dag aan ons geliefd Scheldewater. De voornaamste
voor ons zijn Maan, Zon en Wind. De maan trekt het water naar zich toe en
daardoor ontstaat een vloedgolf op het punt waar de maan boven de aarde staat en
ook op het tegenovergesteld punt van onze aardbol. Tussen deze 2 punten wordt
het water “weggezogen” en er ontstaat er daar laagwater. Daar de maan rond de
aarde draait en de aarde om zijn as, verschuift dit hoog- en laagwater zich over
de aardbol.

Vloed is de periode (en de stromen) tussen laagwater en hoogwater, eb is dan de
omgekeerde periode. Hoe groter het verschil is tussen hoog- en laagwater, hoe
krachtiger deze tijstromen worden. Deze stromen kunnen dan op zich nog versterkt
of afgeremd worden door de windrichting en windsterkte. Een strakke oostenwind
zorgt ervoor dat er in de Paal minder water komt bij HW, een flinke NW wind
zorgt dan weer voor extra water bij hoogwater. Hou er rekening mee als je je
boot uit het water wil trekken, gebruikmakend van onze helling. Soms is er bij
HW niet genoeg water in de kade.

Staan zon en maan in elkaars verlengde ten opzichte van het middelpunt van de
aaarde, dan trekken beiden tegelijkertijd en in dezelfde richting aan ons water.
Zo ontstaat springtij met extra hoge waterstanden bij hoogwater en extra lage
waterstanden bij laagwater. Staan zon en maan haaks op elkaar dan werken zij
elkaar tegen. Zo ontstaat doodtij, minder water bij hoogwater en het waterpeil
blijft hoger bij laagwater. Gezien de maan in 29,5 dagen rond de aarde draait (tiens,
zou daar het woord maand vandaan komen??) kun je berekenen dat van hoogwater
naar het volgende hoogwater er iets meer dan 12 uren verlopen. De mathematici
onder jullie kunnen dan ook verklaren dat springtij en doodtij op een bepaalde
plaats ALTIJD op hetzelfde uur valt. Voor Antwerpen valt doodtij vb altijd rond
11hr, vandaar de uitdrukking, “de luie elf.”

Typisch voor de Westerschelde is dat de vloed korter is dan de eb, en de vloed
bij springtij korter is dan de vloed bij doodtij. Hier kan je rekening mee
houden bij het plannen van je vaartochten om benzine of diesel en tijd te sparen
door zo weinig mogelijk tegen de stroom in te varen Laat de wind en het water
het werk verrichten leerden de oude Palinezen ons. Het is dan ook altijd
verstandiger tegen het einde van een getijstroom in te varen dan te varen aan
het begin van een tegenstroom.
Ook handig om te weten is dat de wind uit een richting komt (zuidenwind komt
echt wel uit het zuiden en duwt je boot naar het noorden) maar dat de stroming
naar een richting gaat (een noordelijke getijstroom komt uit zuiden en zet je
boot naar het noorden). Werken wind en stroom tegen elkaar in, dan krijg je
opmerkelijk meer golfslag dan in het omgekeerde geval. Als je dus met volle
ebstroom, bijvoorbeeld bij springtij, met harde westenwind voor Hansweert het
kanaal wil indraaien, dan kan je daar met serieuze golfslag geconfronteerd
worden. Deze wordt opmerkelijk minder als je enkele uren wacht tot de eb
verdwenen is of de vloed opkomt.
Ten slotte is het nuttig om te weten dat de dieptes op de meeste vaarkaarten
weergegeven zijn in functie van het gemiddelde waterpeil bij Laagwater tijdens
Springtij (GLLWS), wat zoveel wil zeggen als het water kan nauwelijks lager
komen. Op de Westerschelde os dit nochtans wel mogelijk bij zeer harde
oostenwind, welke extra water wegblaast.
De vloed op onze Westerschelde is als een stormram. Zij komt rechtaan vanuit
zee en heeft alzo de vloedscharen gevormd: zeer recht, diep, breed en stabiel in
het begin (lees westelijk) en bochtig, ondiep en onstabiel, soms zelfs
onbruikbaar bij laagwater aan het einde. De sterkste vloedstromen op de
Westerschelde zijn er ongeveer anderhalf uur voor HW, als drempels en zandbanken
quasi geen hindernis meer vormen.
De ebstromen trekken in het begin alles naar westelijke richting. Als de
zandbanken beginnen boven te komen, beginnen deze stromen de bochten (meanders)
en geulen te volgen. Deze stromen zijn het sterkst aan de buitenkant van de
bocht. Deze stromen zwakken ook af tegen de zandplaten. Wil je onze
zeilwedstrijd winnen, dan onthou je dit maar beter. De krachtigste ebstromen
komen ongeveer twee uur na HW voor, in de buitenbochten.
Al deze tijstromen kunnen bij storm en springtij snelheden tot 3 tot 6 knopen
halen. Een knoop betekent een zeemijl per Uur. waarbij een zeemijl 1852 meter
lang is. Deze mijl werd berekend uit de omtrek van de aarde, die verdeeld werd
in 360 graden. Elke graad telt 60 minuten, en een zeemijl is de lengte welke
overeenkomt met zulk een minuut. Logisch, toch?? Vandaar dat het
Schelde-reglement eist dat elke boot op de Westerschelde een motor heeft die een
bootsnelheid kan ontplooien van minstens 6 km per Uur., dit om al dat geweld van
stromingen toch enigszins baas te kunnen.
Een stroomnaad doet zich voor wanneer twee watermassa’s met verschillende
richting en/of snelheid elkaar ontmoeten. Water is nu eenmaal slecht
samendrukbaar. Kleine kronkelingen met drijvend afval vormen een lange lijn
schuim tussen beide massa’s., bijvoorbeeld waar navloed en vooreb elkaar
ontmoeten voor Vlissingen.
Stroomzee is een kabbeling, vooral zichtbaar bij kalm weer. Je merkt dit voorbij
een ondiepte, waar het stromend water opnieuw, na een kleine opstuwing, in de
diepte terechtkomt, zoals aan de drempel bij Terneuzen.
Grondzeeën ontstaan wanneer golven breken op een ondiepte. Dit is zeer goed
merkbaar op de Westerschelde wanneer de boeggolf van een groter zeevaartuig een
zandbank nadert. De golf wordt steiler en breekt tenslotte (slaat over) wanneer
de golf de oplopende bodem raakt.
Ankeren mag NOOIT in het vaarwater. Anker zo dicht mogelijk tegen de ondiepten,
maar hou wel rekening met het verval van het water en met de wind. Maak de
lengte van de ankertros ten minste viermaal zo lang dan de te verwachten diepte,
en laat ’s nachts een ankerlicht branden. Altijd zorgen voor ankerwacht.
Als je vaarwaters wil oversteken ga je altijd, in geval van twijfel, achter een
beroepsvaart om Voor de mannelijk lezers, hierbij is het legitiem om te mikken
op het kontje van dit vrouwelijk wezen (een boot is nu eenmaal vrouwelijk omdat
ze liggende geladen worden), en zij zal je nog meer waarderen als je je
bedoelingen goed kenbaar maakt. Deze logge dames kunnen moeilijk van richting
veranderen en hebben een eeuwigheid nodig om te stoppen. Bovendien roepen zij
snel de politie op als zij vinden dat de pleziervaart hen hindert, wat een dure
PV kan opleveren.
Een goede bijkomende raad als je vaart of wil varen op onze prachtige rivier:
volg een cursus! Onze club organiseert regelmatig de opleiding vaarbewijzen
/meteo/marifoon/..., als er genoeg geïnteresseerden zijn om alweer eens een
(winter)klasje te vullen.
Time and tide wait for no one
Philippe.